Rommelen in de wijsbegeerte

 

 Inhoud

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Grote Vragenboek der Filosofie

• • • • • • • • •

 

[K.T. Dröfe: Rommelen in de wijsbegeerte, p.75]

 

 

 

Het lijkt mogelijk de diverse deeldisciplines van de wijsbegeerte samen te vatten in de vragen die de verschillende filosofen binnen dit gebied hebben getracht te beantwoorden. Een uitwerking van deze mogelijkheid moet dan van iedere deeldiscipline een paradigmatisch1 overzicht opleveren. Om de gedachten te bepalen kunt u een blik werpen op het in de bijlage weergegeven voorbeeld van de ethiek. Dit overzicht is uiteraard zeer onvolledig en er wordt ook niet gepretendeerd dat het correct van opzet is; waar het slechts om gaat is de bedoeling duidelijk te maken, namelijk dat het mogelijk is een deeldiscipline van de filosofie te vangen in een stelsel van vragen.

 

Op soortgelijke wijze kunnen ook de andere deeldisciplines in kaart worden gebracht. Het uitwerken van dit principe leidt ertoe dat de gehele filosofie in een handig boekwerk kan worden ondergebracht. Bij vragen op lagere abstractieniveaus kan dan worden verwezen naar een uitwerking in één of meer standaardwerken zoals bijvoorbeeld de Blackwell-compendia of de pas verschenen Routledge Encyclopedia of Philosophy. Tot welk niveau van abstractie moet
worden afgedaald is natuurlijk arbitrair. Het is in beginsel niet ondenkbaar, dat er zelfs verschillende abstractieniveaus worden gebezigd. Wel lijkt het handig te bewerkstelligen, dat één publicatie in de filosofie centraal wordt gesteld en zal gelden als ‘Het Grote Vragenboek der Filosofie’.

 

 

Waarom is een dergelijk boek aantrekkelijk?

 

1.         Zo’n publicatie biedt in kort bestek een volledig overzicht. Omdat men van daaruit verwezen wordt naar één of meer standaardwerken, die op hun beurt weer naar tal van teksten verwijzen, kan een
dergelijk boek functioneren als het basisdocument van de gehele filosofie.

 

2.         Iedereen die meer dan incidenteel in de filosofie heeft gegrasduind komt verschillende keren de uitspraak tegen dat het in deze discipline veel meer om de vragen gaat dan om de antwoorden.

Welnu als de vragen zo belangrijk zijn, laten we dan ten minste de belangrijkste inventariseren.

 

3.         Het moet mogelijk zijn de vragen behalve naar subdiscipline te rangschikken naar importantie. (Hiertoe kunnen verschillende criteria worden aangewend, waarmee zich dan een aantal hiërarchieën aandient.2) Dit verhoogt de mogelijkheid selectief kennis te nemen van de materie. 

 

4.         Gemakkelijk kan worden nagegaan welke vragen niet aan de orde zijn gesteld. De ‘gaten’ in de wijsbegeerte manifesteren zich direct met behulp van dit boek, al zal niet iedereen in staat zijn ze op te merken. De opzet biedt in ieder geval wel een handvat voor originele denkers.

 

5.         Het confronteert ons met de vraag of we wel de goede vragen hebben gesteld en of het misschien mogelijk is door veranderingen in de vraagstelling iets of wellicht veel aan importantie, scherpte en relevantie te winnen.

 

6.         Het zeeft al die quasi-filosofische teksten uit die niet tot wijsgerige vragen zijn te reduceren, waarna anderen mogen uitmaken of er sprake is van poëzie, proza, sprookjes of klinkklare onzin.

 

7.         Het opent de mogelijkheid tegenvragen te stellen (al dan niet in Het Grote Vragenboek op te nemen), waarvan de bedoeling dient te zijn, dat ze tot verheldering en aanscherping in het discours leiden. Enige mogelijke voorbeelden, waarbij gemakshalve weer de ethiek bij de kop wordt genomen, zijn:

a.  Als zowel de deontologie als het utilisme door voorbeelden die voor
de intuïtie onaanvaardbaar zijn onderuit gehaald kan worden,3 
waarom verheffen we de  intuïtie dan niet meteen tot het juiste criterium?  

 

b.  Ethiek is bedoeld om het gedrag van mensen te optimaliseren,
maar de enige die ethische geschriften lezen zijn ethici, allen rechtschapen
mensen. Wat is dan haar nut?

 

c.  Het zoeken naar een theorie die voor alle ethici aanvaardbaar is,
lijkt op het zoeken naar de Heilige Graal, dat wil zeggen: ze is net als deze
onvindbaar.

Zou het nuttig kunnen zijn het zoeken te staken en in plaats daarvan
een inventarisatie op te stellen van de zaken waarover de serieuze theorieën
het eens zijn?
We zullen er misschien versteld van staan, hoeveel dat is.

 

d.  Hoe lossen we de paradox op dat voor hoogstaande mensen
de ethische theorie niet nodig is en laagstaande mensen er geen boodschap
aan hebben?4

 

e.  Wat is eigenlijk de functie van morele oordelen, waarover zo
ruimhartig wordt gedelibereerd?
Soms lijken ze op het inzetten van klappertjespistolen van verschillende merken en van uiteenlopende kwaliteit in een wereld waarin mensen elkaar met vuurwapens bestoken.

 

f.  Gaat het werkelijk wel in de eerste plaats om het handelen van de mens
of zou het veeleer primair om het ‘zijn’ van de mens moeten gaan?
Het lijkt erop dat het juiste ‘zijn’ bijna als vanzelf tot het juiste handelen
leidt, terwijl bij afwezigheid van het juiste ‘zijn’ het juiste handelen ondanks
alle theorieën volstrekt onhaalbaar is.

 

g.  In welke situaties mag de theorie terzijde worden geschoven en welke
sociale, politieke of culturele veranderingen geven aanleiding de theorie
zelf aan te passen? Is daar een theorie over op te stellen?

 

h.  Waarom wordt binnen de ethiek geen aandacht geschonken aan datgene wat ons uit hoofde van onze evolutionaire verplichtingen5 te doen staat? Dat lijkt wel zo interessant en bovendien van het grootste belang.

Uiteraard is er in dit geval sprake van amateuristisch opgestelde contravragen; de echte en goede tegenvragen moeten natuurlijk uit de koker van doorgewinterde vakspecialisten komen. Hier gaat het er slechts om het idee duidelijk te maken. Door het reduceren van de filosofie tot vragen krijgen de ernaast te stellen contravragen, naar mag worden verwacht, extra gewicht en invloed.

 

 

Besluit

 

Dat een onhandige zoeker een dergelijk vragenboek op Internet niet kan vinden, wil uiteraard nog niet zeggen dat het niet reeds bestaat. Als dat geval zou blijken te zijn, is bovenstaande tekst natuurlijk volstrekt onnuttig en compleet overbodig en moet voor het ongerief en de ergernis verbonden aan het lezen van een flutverhaal omstandig verontschuldigingen aan de lezer worden aangeboden. Het enige dat misschien nog net overeind blijft en waarop wellicht toch gewezen mag worden, is de wenselijkheid te bevorderen dat een dergelijk boek ook daadwerkelijk zijn centrale plaats in het filosofisch discours krijgt toebedeeld, maar dat is dan ook alles.

 

 

• • • • • • • • • 

Bijlage: De ethiek uitgedrukt in vragen 6

 

I.  Algemeen

 

1. Hoe dienen wij ons te gedragen?

2. Aan de hand van welke uitgangspunten kunnen systemen van gedrags-voorschriften worden opgesteld?

3. Welke rol spelen waarden in de ethiek?

4. Wat is moraliteit en wat is haar object? Welk gedrag mogen we moreel noemen?

5. Wat is het object van filosofische ethiek en wat voegt het predikaat ‘filosofisch’ toe?

6. Welke relatie bestaat er tussen filosofische ethiek en moraliteit?

7. Hoe ligt de relatie tussen prudentie en moraliteit?

8. Welke is de relatie tussen moraliteit enerzijds en recht, etiquette en religie anderzijds?

9. Is de onderhavige en gangbare indeling van de ethiek juist:

i. Niet-normatieve ethiek

a. Descriptieve ethiek (beschrijvingen van gangbare morele opvattingen, meestal in sociologisch of antropologisch kader geplaatst).  

b. Meta-ethiek (biedt een analyse van ethische termen zoals: recht, verplichting, goed, deugd, verantwoordelijkheid).

ii. Normatieve ethiek

a. Algemene normatieve ethiek (de hoofdschotel van de wijsgerige ethiek).

b. Toegepaste ethiek (bijvoorbeeld: medische, journalistieke en business-ethiek).

 

II. Algemene normatieve ethiek

 

A. Theorieën over de morele grondslag

10. Welke grote normatieve theorieën (in het veld van de algemene normatieve ethiek) zijn te onderkennen en welke zijn de voor- en nadelen?

Bijvoorbeeld: consequentialisme (de consequenties tellen; de bekendste richting is het utilisme), deontologie (het voorschrift telt), deugdtheorieën (het ontwikkelen van goede eigenschappen telt), theorieën op basis van gemeenschapsdenken (de in de gemeenschap geldende normen tellen).

 

α. Consequentialisme

11. Welke consequentialistische theorieën zijn er?

12. De veruit belangrijkste consequentialistische theorie is die van het utilisme; welke vormen kennen we daarvan? Bijvoorbeeld: act-utilisme (per geval de situatie beoordelen) en regelutiliame (per geval is te moeilijk; er moeten daarom globale regels gesteld worden). Wat zijn daarvan de voor-
en nadelen?

 

βDeontologie 

13. Welke deontologische theorieën zijn er en wat zijn hun voor- en nadelen?

 

γ. Deugdtheorieën

14. Welke deugdtheorieën zijn er en wat zijn hun voor- en nadelen?

15. In hoeverre is de claim van Aristoteles, die een deugdtheorie ontwikkelde, dat alle dingen in diepste wezen naar het goede streven houdbaar? (Deze vraag is wellicht meer metafysisch dan ethisch van aard.)

16. Wat heeft oefening (training) te bieden bij het voortbrengen van hoogstaande mensen? (Deze gedachte is van Aristoteles en ogenschijnlijk
nog zeer actueel.)

17. In hoeverre is het zinvol onderscheid te maken tussen deugdzaamheid van het denken en deugdzaamheid van het karakter, zoals Aristoteles doet?

18. In hoeverre gaan deugden en verplichtingen samen en in hoeverre
bijten zij elkaar?

19. Is het een probleem van de deugdtheorieën dat je gedrag kunt afdwingen en deugden niet?

20. Moeten we misschien stellen dat deugd- en plichttheorieën
(de plichttheorieën zijn vooral utilisme en deontologie) complementair zijn?

 

δ Theorieën op basis van gemeenschapsdenken

21. Kunnen we, zoals Hume dat doet, de moraal funderen op de in
een gemeenschap geldende normen, op traditie en sociale conventies?

22. Is Humes opvatting juist dat we niet naar de daden maar naar
de motivering moeten kijken om morele oordelen te kunnen uitspreken?

23. Is moreel pluralisme op basis van uiteenlopend gemeenschapsdenken aanvaardbaar, of moeten respectievelijk kunnen we de diversiteit toch inpassen in een ‘over all’- theorie?

 

B. Theorieën over kennis van morele feiten

24. Berust ethiek op kennis (cognitivisme) van objectief bestaande morele feiten (realisme) of berust ethiek op wenselijkheden (non-cognitivisme)
die uit de aard der zaak subjectief zijn?

25. Kunnen morele oordelen wellicht aan de hand van wetenschappelijke methoden worden onderzocht (naturalisme)? (Het naturalisme wordt
als onderdeel van het cognitivisme beschouwd.) Of is het afleiden van
het ‘behorende’ uit het ‘zijnde’ (altijd) misplaatst?

26. Is het misschien zo dat we direct kunnen inzien wat het juiste gedrag is
zonder een beroep te hoeven doen op wetenschappelijke methoden (intuïtionisme)? (Minder voor de hand liggend is, dat ook het intuïtionisme tot het cognitivisme wordt gerekend.)

27. Doen we er wellicht goed aan een systeem van wenselijkheden
op te stellen, dat vervolgens als fundament moet dienen voor de moraliteit? (emotivisme, een onderdeel van het non-cognitivisme).

28. Of moeten we stellen dat waardeoordelen een prescriptief karakter
hebben die ons gedrag moeten leiden? (prescriptivisme, ook al een onderdeel van het non-cognitivisme)

29. Is het wellicht juister c.q. vruchtbaarder het cognitivisme/
non-cognitivisme-debat te herscheppen in het realisme/anti-realisme debat (normen bestaan objectief versus normen bestaan niet objectief), hetgeen min of meer in de mode is?

30. Wat is er alzo tegen de diverse theorieën in te brengen?

 

C. Overige vragen

31. Welke eisen moeten we stellen aan een goede theorie? Bijvoorbeeld: innerlijke consistentie, coherentie, volledigheid, algemene geldigheid.

32. Welke rol spelen sociale dwang en sociale controle op moreel gedrag?

33. En hoe moeten we zorgzaamheid, genegenheid, liefde, vertrouwen, vriendelijkheid, liefdadigheid, matigheid, genade en verantwoordelijkheid, alle negen verschijnselen die hun weerslag op het handelen hebben,
een plaats geven in de theorie?

34. Wat is de functie van de logica (de deontische logica7 in het bijzonder)
in de theorievorming?

35. Welke plaats moeten we aan rechten (bijvoorbeeld de rechten van
de mens) toekennen in de theorie?

36. In hoeverre staan er tegenover rechten van mensen plichten bij andere mensen (de correlatietheorie)?

37. Op welke wijze vormen de begrippen ‘rechtvaardigheid’ en ‘vrijheid’ noodzakelijke elementen van een deugdelijke morele theorie?

 

januari/februari 1999

 

 

Noten

1. Paradigma wordt hier in een klassieke, vooral in de sociale wetenschappen gebruikte betekenis gebezigd: een beschrijving  van enig verschijnsel in kort geformuleerde punten; in deze betekenis vormt dit begrip een tegenstelling tot omstandige verhandelingen over verschijnselen.

2. Dit betekent natuurlijk niet dat men de vragen meer dan één keer moet weergeven. Als er één of meer hiërarchieën tot uitdrukking moeten worden gebracht kan men zich bedienen van grafische technieken, door toevoeging van letters, Romeinse en gewone cijfers e.d. Men krijgt dan bijvoorbeeld 1-, 2-, 3-, 4- en 5-vragen en daar doorheen A-, B-, C-, D- en E-vragen.

3. Het klassieke voorbeeld van een situatie die het utilisme onderuithaalt is dat van de gezonde zwerver die kip noch kraai heeft en met een gebroken been in het ziekenhuis belandt alwaar een aantal zeer brave lieden op orgaandonatie liggen te  wachten. In alle gevallen is er sprake van urgentie en de verschillende benodigde organen zijn bij de zwerver voorhanden. Utilistisch gezien zou de zwerver moeten worden geslacht teneinde de wachtenden op de been te helpen. Onze intuïtie verzet zich echter daartegen.

Op soortgelijke wijze kan de absoluutheid van de deontologie worden ontkracht. Zo is het deontologische gebod ‘je zult geen mensen doden’ moeilijk vol te houden in een situatie waarin een kaper het volle vliegtuig dreigt op te blazen, terwijl de ‘agent’ in kwestie over een vuurwapen beschikt waarmee hij de kaper – zij het misschien niet zonder risico – kan uitschakelen.

4. Deze aardige uitspraak is opgevangen in de wandelgangen van de Utrechtse Universiteit.

5. De gedachte is deze: het evolutieproces waartoe ook het culturisatie- en civilisatieproces worden gerekend heeft zo langzamerhand een stadium bereikt waarvoor zou kunnen gelden dat de voortzetting in handen van de mensen zelf komt te liggen. Dit zou dan een buitengemene verantwoordelijkheid met zich brengen en een nieuw soort handelen en een nieuw soort handelingbepalers vereisen. Binnen een dergelijke evolutionaire ethiek hebben niet alle mensen dezelfde verplichtingen. Een belangrijke taak van deze vorm van ethiek zou dan ook kunnen zijn het formuleren van de taken en het identificeren van degenen op wier schouders deze rusten. Het is niet geheel uitgesloten dat een uitwerking in deze richting als een frisse wind zal functioneren die heel wat stof zal doen op- en wegwaaien.

6. Bij het opstellen van deze vragen is vrijwel alleen gebruik gemaakt van
Philosophical Ethics van Tom L. Beauchamp.

7. De deontische logica werkt o.m. met de symbolen  voor verplicht gedrag en voor toegestaan gedrag. Het manipuleren met deze en andere symbolen moet inzicht geven in de morele status van gedragingen op basis van bepaalde uitgangspunten.